Blue Lines Trio - CD - recensies / reviews


De pers geciteerd


(Jazzism, december 2014, door Ken Vos)
"Dit trio is het nieuwe vehikel voor het post-Monkiaanse improviseerwerk van pianist Michiel Scheen. Contrabassist is de spaarzaam articulerende Raoul van der Weide, drummer de jonge George Hadow. De jonge Engelsman is een goed doserende en vooral origineel fraserende slagwerker die ongetwijfeld een grote toekomst tegemoet gaat. Scheen heeft zeven, qua vorm spannende composities bijeen gebracht, van hemzelf, van Paul Termos, en van Van der Weide. Het zijn vooral heldere, vaak ietwat kale stukken waarin Scheen grote contrasten kan inbouwen, soms vloeiend, dan weer met horten en stoten. De vijf spontane improvisaties zijn ook effectief omdat de musici elkaar aanvullen en zich in kunnen houden tot een eenduidige, gezamenlijke richting gevonden wordt, zonder dat de spanning oplost. Het live in het Bimhuis opgenomen album is een fraaie verzameling van stukken waarvan er geen voorspelbaar eindigt."


(www.enola.be - Guy Peters) 
"En plots komt vanuit Amsterdam dit kleinood aangewaaid. Drie generaties improvisatoren met een handvol sprankelende composities en tintelende vrije improvisaties, geworteld in de Nederlandse traditie, maar met meer dan voldoende pit en inventiviteit om te kunnen spreken van een eigen stijl en een pracht van een debuutplaat.

Het Blue Lines Trio verenigt pianist Michiel Scheen met bassist en grafisch artiest Raoul van der Weide, beiden muzikanten met een uitgebreide voorgeschiedenis, en met de jonge Britse drummer George Hadow, die sinds 2012 in de Nederlandse hoofdstad actief is en intussen met zowat iedereen die dat zag zitten heeft gespeeld, van Terrie Ex en Andy Moor tot John Dikeman, Yedo Gibson en vele anderen. Van der Weide speelde niet zo heel lang geleden ook nog met die Dikeman, maar is sowieso een muzikant die in de meest uiteenlopende contexten opduikt en zelf ook een handje toesteekt bij de organisatie van concerten in zijn stad.

Scheen is in België niet echt bekend (of hebben we iets gemist?), maar bleef vreemd genoeg ook in Nederland onder de radar. En dat terwijl hij toch al heel wat ervaring heeft aan de zijde van onder meer Maarten Altena, Ab Baars, Ig Henneman en Tobias Delius, met wie hij een duo vormt. Op deze eerste cd, vakkundig opgenomen in het Bimhuis door Arnold de Boer, verenigt de band verschillende insteken en invloeden in een eclectische melange zodat er zowel in aanstekelijke jazz als in stekelige improvisatie wordt rondgedobberd. De grote variatie en de doorgaans compacte stukken zorgen voor een zeer verteerbare en geanimeerde plaat die nergens onder zijn gewicht bezwijkt en steeds een air van speelsheid blijft uitademen.

Scheen neemt zelf een derde van de stukken voor zijn rekening en tekent meteen voor een behoorlijk sterke rij composities. Zo gaat opener “Solid” uitbundig en bijna feestelijk van start met een combinatie van blues en Mengelberg op een bedje van lekker kletterende drums. Wat later lijkt het alsof de geesten van Monk en Jaki Byard door het stuk waren, met beknopte versnellingen, stuiterende ritmes en een aanstekelijke, lillende dynamiek. Het nerveus botsende “Idols”, met zingend baswerk van van der Weide, is een compact stukje energie binnen een knap uitgewerkte driehoeksverhouding.

Ook de resterende composities vormen een mooie tegenstelling: “Stumble” is ondanks de titel best een statig stuk, op een rollende en ronkende ritmesectie, terwijl de ultrakorte ballade “Sigh” vooruitgeborsteld wordt door Hadow en ironievrij blijft. De stukken worden mooi aangevuld door twee composities van de Nederlandse saxofonist Paul Termos. “Kop Op” heeft aanvankelijk iets van Monks “Well You Needn’t”, maar verkent zijn eigen kleurrijke oorden vol getrippel en gestamp, terwijl “Dark Goeree” teert op een lome soulgroove van een haast kinderlijke eenvoud. Maar het werkt, temeer omdat Scheen binnen dat relatief beperkte kader wel mooie dingen uithaalt.

Van der Weides “Not Yet” vertrekt vanuit repetitieve oorden, om vervolgens een minimalistisch verkeer uit te tekenen met eenzame pianoakkoorden en resonerend metaal. Meer klankgericht dus en verwant aan de vijf trio-improvisaties die een vergelijkbare weelde laten horen, de ene keer met een neurotisch prikkelspel (“Improvisation 538”), dan weer dichter tegen jazz aanleunend (“539”) of met een rechtstreekse duik in de klankenwereld van van der Weides objecten en kraakdoosje (“536” en “541”). Die voortdurende heen-en-weerbeweging tussen houvast en gebrek daaraan creëert een bijzonder geslaagd, plagerig effect, wat op zijn beurt dan weer leidt tot een album dat al even geinig en bedachtzaam in elkaar past als van der Weides collage die de hoes siert. Kortom: een pareltje om te ontdekken."


(Weblog Jazz Music Reviews - Chris Naat)
"Soms kunnen nieuwe CD-producties met Nederlandse jazz en geïmproviseerde muziek kunnen je bijzonder verrassen. Het Amsterdamse Blue Lines Trio is een samenwerkingsverband tussen drie generaties musici en lijkt een goed ingespeelde groep te zijn. Michiel Scheen speelde een aantal jaren bij het Maarten Altena Ensemble en werkt naast dit trio regelmatig met saxofonist en klarinettist Tobias Delius en in het Jan Nijdam Kwartet. Raoul van der Weide heeft veel samengewerkt met Guus Jansen en werkt nu met John Dikeman en Klaus Kügel, daarnaast speelt hij veel improvisatiesessies met de jongste generaties musici die Nederland bezoeken of er wonen. George Hadow is een jonge Britse drummer die speelt met het Galm Quartet en in korte tijd geheel ondergedompeld is in de Amsterdamse improvisatie-scene.

De debuut-CD van dit trio is opmerkelijk. Er staan composities op, muzikale thema’s die fungeren als een opstap voor improvisaties en er staan geheel geïmproviseerde stukken op. Wat over het geheel gezegd kan worden is dat de musici zeer goed naar elkaar luisteren en elkaar de ruimte geven.

Veel vrij geïmproviseerde muziek klinkt zo vol dat de luisteraar zijn focus kan verliezen, maar op deze CD zijn de improvisaties glashelder. De musici nemen blijkbaar spontaan een muzikale bouwsteen bij de hand en werken dat zorgvuldig uit. Dat wordt niet saai; regelmatig brengen ze contrasterend materiaal in om het muzikale proces te verversen. En dat biedt weer de mogelijkheid om dat wat ze eerder gespeeld hebben te herhalen, wat structuur geeft aan de improvisatie. Dat hoor je niet vaak! Is dit misschien een nieuwe vorm van ‘instant componeren’? Het aanvankelijke muzikale motief bepaalt het karakter van het stuk, waardoor geen enkel stuk op een ander lijkt. Elke improvisatie heeft een eigen identiteit, klank en karakter.
Het ritmische concept van het trio is nogal bijzonder: zijzelf noemen het “stuiterende swing” en “dribbel-swing”, een merkwaardige mix van jazz-swing en vrij pulserende muzikale beweging. Zoiets als drie paarden in een paardenspan die niet gedrild zijn om op militaristische wijze precies gelijk te lopen, maar meer het-bij-elkaar-blijven met ieder voor zich op een eigen drafje. Drie aparte, individuele, maar aan elkaar gerelateerde, ritmische “lijnen”.
Een ander opvallend kenmerk van de muziek van het trio is hun melodische en harmonische alertheid. Al improviserend weten zij op miraculeuze wijze dezelfde toonhoogten te treffen. Dat hoor je ook niet vaak in vrij geïmproviseerde muziek.
Dit alles maakt de CD een zeer gevarieerd en kleurrijk geheel.

De composities, de thema’s zijn uiteraard grotendeels genoteerd en gearrangeerd. De ene lijkt op bebop en souljazz (in het geval van de twee stukken van de in 2003 overleden saxofonist en componist Paul Termnos), of post-bop, post-free-jazz en soms zelfs als hedendaags gecomponeerde muziek. Invloeden van Thelonious Monk, Cecil Taylor, Olivier Messiaen, Oscar Pettiford, Charles Mingus, David Izenzon, Paul Motian and Han Bennink zijn traceerbaar.
“Solid” begint als een post-bop-blues-vrije-puls-en-dribbel-swing compositie, maar wordt plotsklaps onderbroken door een staccato improvisatie die daarna in losgeslagen Monk piano variaties belandt. Het bevat een grappige “Sailt Peanuts” referentie.
“Improvisation 538” begint met gestreken bas met tonale associaties, waarop de piano soortgelijke boventoongeluiden produceert door in de vleugel aan de snaren te plukken en de drums de vellen en bekkens met brushes beroert.
Paul Termos’ stuk “Kop op” is een metselwerkje van bebop frasen, die in een drumsolo uitmondt. Deze wordt ‘aangevallen’ met brokkelige interventies van bas en Cecil Taylor-achtig pianospel. Niet meteen een logische aanpak en wellicht van te voren bedacht (vandaar dat dit stuk mij het minst bekoort), maar de terugkeer naar het thema is na de keiharde free-jazz dan wel weer een verrassend verlichtend moment.
“Idols” bevat piano-akkoorden die ik niet kan ontcijferen (maar ja, ik ben slechts een amateur pianist), die ver weg staan van zowel clichématige II-V-I jazzprogressies als gratuite free-jazz clusters. Het lijkt een harmonisch idioom op zichzelf. Het ritmische unisono dat Hadow in het thema op drums speelt is magistraal en verbindt het geschrevene met de spontane improvisatie die later in het stuk plaatsvindt. Ik hou van zo’n aanpak! 
“Not yet” van Van der Weide is een vredig rustpunt op de CD. Het thema is een continue variatie van vier noten, maar heeft niets te doen met zogenaamde ‘minimal music’. Het is meer een radarwerk dat leidt tot ruimtelijke improvisaties die de tijd lijken op te rekken. Met prachtig boventonenspel van bas en bekkens en Messiaen-achtige harmonieën op piano.
In “Ingredients 539” pakken de trioleden het mainstream jazz idioom bij de kladden, maar spelen daar ongedwongen als vrolijke kleuters mee. De opzettelijk veel te lange bassolo-lijn van Raoul van der Weide is hilarisch! Het is een belachelijke, uit de voegen gebarsten jazzpastiche, maar wel smaakvol.
“Stumble” is een muzikale hartekreet, bluesy free-jazz, met opeens een herinnering aan het pianospel van de Zuid-Afrikaanse pianist Abdullah Ibrahim. Uitzonderingen daargelaten, de Nederlandse impro-scene staat niet zo bekend om dit soort ‘direct uit het hart’ spel.
“Sigh”, een ballad met Ellingtoneske akkoorden en warmte, sluit de CD af. Voor de liefhebber is er een compositorisch aardigheidje te horen: de melodie is geheel chromatisch, met aan het einde van elke frase een “gigantische” melodische sprong van wel een hele kleine terts! 

Door zorgvuldig en herhaald te luisteren worden meer intelligente muzikale grapjes, die op de hele CD voorkomen, onthult. Ze zijn meer verborgen dan expliciet. De wellicht typische Nederlandse ironie binnen de geïmproviseerde muziek staat hier minder op de voorgrond. Ik zou zelfs durven zeggen dat de ironie naar een ander, abstracter niveau getild wordt. Maar dit kan alleen ontdekt worden door aandachtig deze CD meerdere malen te beluisteren.

Al met al een goede tijds- en geldbesteding! Voor slechts €10,- heb je uren muzikaal genot. Het Blue Lines Trio voegt een nieuwe tak toe aan de stamboom van de jazz en geïmproviseerde muziek!"



(Webmagazine Jazzflits - Herman te Loo)
"Bassist Raoul van der Weide heeft een goed oor voor het opzoeken van eigenzinnige pianisten. De bekendste uit het rijtje is natuurlijk Guus Janssen, maar naast Frank van Bommel (As If Trio) rijgt hij nu ook Michiel Scheen aan zijn ketting. En net als Van Bommel is Scheen zo’n muzikant die op onverklaarbare wijze nooit een heel grote naam heeft gekregen. Af en toe duikt hij op met een nieuwe groep, maar verder dan de status van ‘musician’s musician’ lijkt hij niet te komen. Dat is op zich mooi, maar de kachel kan er niet van roken. 
‘Blue Lines Trio’, het debuutalbum van het Blue Lines Trio (met de jonge Engelse drummer George Hadow als subtiele nummer drie) zal bij het grote publiek opnieuw geen deuk achterlaten. Desalniettemin staat de cd vol met fijnproeversmuziek. Naast een aantal composities van Scheen en één van Van der Weide bevat de plaat vijf improvisaties (die slechts een nummer hebben meegekregen) en twee stukken van Paul Termos. Scheen en Van der Weide zijn beiden pleitbezorgers van het compositorisch oeuvre van de in 2003 overleden saxofonist en componist. Terecht, zo blijkt uit het Misha Mengelberg-achtige ‘Kop op’ en de smeuïge souljazz-pastiche ‘Dark Goeree’. De stukken passen het trio als een handschoen en sluiten naadloos aan op de composities van Scheen, die met het Leo Cuypers-achtige ‘Solid’ en de prachtige ballad ‘Sigh’ overtuigende proeven van bekwaamheid aflevert. Ik gun het Blue Lines Trio de doorbraak hiermee zeker."


(Weblog Vera Vingerhoeds)
"Onverwachte afslagen, dribbelswing & ontregelende jazz
Het Blue Lines Trio werd in 2012 gevormd door pianist Michiel Scheen. Het brengt drie generaties van improvisatoren bijeen. Met veel overtuiging stort de groep zich in situaties waarbij er niet persé richting en houvast zijn: muzikaal op avontuur dus. Ergens beginnen en niet weten waar je uitkomt. Het trio is erg aan elkaar gewaagd. Alle drie kunnen ze de muzikale vrijheid aan; ze blijven ook in de vrije improvisaties heel goed naar elkaar luisteren en samen-spelen.
De muziek op deze debuut-cd is een selectie uit het ruime repertoire van het trio, dat vol zit met muzikale wendingen, onverwachte afslagen, ontregelende muziek, dribbelswing en vrije klankexploraties.
Dat Michiel Scheen schatplichtig is aan de hoekige swing en van Thelonious Monk en de ontregelende jazz van Misha Mengelberg is goed te horen in een aantal stukken, bijvoorbeeld in Solid. Daarnaast staan er ook geheel vrije improvisaties op de CD.
In de jaren 1986 tot 1999 werkte Michiel Scheen samen met vele music in de vrijere improvisatiemuziek. Hij speelde o.a. met Ab Baars, Han Bennink, Jaap Blonk, Anthony Braxton, Tobias Delius, Cor Fuhler, Gerry Hemingway, Wiek Hijmans, Guus Janssen, George Lewis, Misha Mengelberg, Roscoe Mitchell, Butch Morris. Na een retraite van een aantal jaren formeerde Scheen in 2004 een kwartet met Ab Baars, Han Bennink en Ernst Glerum. Op het ogenblik speelt hij regelmatig in duo-formatie met saxofonist en klarinettist Tobias Delius en met het Jan Nijdam Kwartet."


Press Quotes


(Jazzism Magazine, december 2014, by Ken Vos, ****1/2)
This trio is the new vehicle for the post-Monk improviser, pianist Michiel Scheen. Double bass player is the spaciously articulating Raoul van der Weide, drummer is the young George Hadow. The young Englishman is a good dosing and especially original phrasing drummer who undoubtedly will have a great future. Scheen has brought together seven, in form exciting compositions, from himself, Paul Termos, and Van der Weide. They are clear, often somewhat bare patches, in where Scheen builds strong contrasts, sometimes smooth, sometimes jerky. The five spontaneous improvisations are also effective because the musicians complement each other and keep a single, common direction without solving the tension. The live album recorded at the Bimhuis is a fine collection of pieces which never have predictable endings.



(www.enola.be - October 20, 2014)
"And suddenly, from Amsterdam this gem arrives. Three generations of improvisers, with a handful of sparkling compositions and tingling free improvisations, rooted in the Dutch tradition, but with plenty of spunk and inventiveness. The Blue Lines Trio has its own style and has made a beauty of a debut album.

The trio joins pianist Michiel Scheen with bassist and graphic artist Raoul van der Weide, both musicians with an extensive history, and the young British drummer George Hadow, who since 2012 is active in the Dutch capital and recently with just about everyone, like with Terrie Ex and Andy Moor to John Dikeman, Yedo Gibson and many others. Van der Weide also playes with Dikeman, is a musician who shows up in a variety of contexts and is known to organize intriguing concert-series in his city.

Scheen is not really known in Belgium (or have we missed something?), and also in the Netherlands remained under the radar. That’s strange, because he has a lot of experience with past working relationships with Maarten Altena, Ab Baars and Ig Henneman. With Tobias Delius he forms a duo. On this first CD, professionally recorded at the Bimhuis by Arnold de Boer, the band combines different insertions and influences in an eclectic blend of, as well as catching jazz, provocative improvisations. The wide variation and generally compact pieces provide a very digestible and animated plate, that doesn’t collapse under its weight and remains having an air of playfulness throughout.

Scheen signs for a third of the pieces, that form a pretty strong line of compositions. Opener "Solid" is exuberant and with an almost festive start, it combines blues and Mengelberg on a bed of delicious clattering drums. A little later it seems as if the spirits of Monk and Jaki Byard take over, with accelerations, bouncing rhythms and contagious, quivering dynamics.
The nervous clashing "Idols" with Van der Weide’s singing bass, is a compact piece of energy within a clever ménage-a-trois.

The remaining compositions offer a beautiful contrast: "Stumble" is, despite the title, quite a stately piece, on a rolling and rumbling rhythm section, while the ultra short ballad "Sigh" is brushed forward by Hadow and notably is irony-free. The pieces are nicely complemented by two compositions by Dutch saxophonist Paul Termos. "Kop op" initially resembles Monks "Well You Needn’t," but later explores its own colourful places, full of patter and stomping, while "Dark Goeree" relies on a languid soul groove of an almost childlike simplicity. But it works, especially since Scheen playfully does beautiful things within that relatively small frame.

Van der Weide’s "Not Yet" departs from repetitive patterns, only to get caught in lonely piano chords and resonating metal. It’s more sound-oriented and related to the five trio improvisations that showcase a comparable wealth. There’s a neurotic stinging musical game ("Improvisation 538"), a piece that resembles a jazz-trio ("539"), and a plunge into the world of Van der Weide’s sound objects and his crackle-box ("536" and "541"). This constant back-and-forth movement between grip and lack of it creates a particularly successful, teasing effect, which in turn, leads to an album that equally thoughtfully fits together like Van der Weide’s collage cover-design. In short: a little jewel to discover."
(Guy Peters) 


(Weblog Jazz Music Reviews - October 13, 2014)
Sometimes, CD-releases of new Dutch jazz and improvised music can really surprise one. The Amsterdam based Blue Lines Trio seems to be a very good working unit, a collaboration between three generations of musicians. Michiel Scheen, for several years worked within the Maarten Altena Ensemble, and besides this trio, he now regurarly works as a duo with saxophonist and clarinetist Tobias Delius and with the Jan Nijdam Quartet. Raoul van der Weide has worked with Guus Jansen, and currently works in a trio with John Dikeman and Klaus Kügel, furthermore he jams with a lot of the new generation of improvisors that visit or live in Holland.  George Hadow is a young British drummer who works with the Galm Quartet and many improvisers of all generations in and around Amsterdam.

The debut CD of this trio is remarkable. There are pieces, musical theme's that generate improvisations, but there are also freely improvised sequences. In general, what all the tracks show, is that the three musicians carefully listen to, and give room to each other.

A lot of free improvised music has such a density that the listener could lose focus, on this CD however, the improvising is crystal clear. The players spontaneously seem to pick a musical motive and elaborate on it carefully. The process doesn’t get boring: they sometimes intuitively throw in contrasting material to ‘refresh’ the flow. And that offers the possibility to repeat things they have played before, which provides a structure to the improvisation, not to be heard often. Might this maybe be a new form of what we call ‘instant composition’? That initial musical motive defines the character of the piece, so no track resembles others, every track is an entity and has a character of its own.

The rhythmic concept of the trio is exceptional: themselves, they call it  ‘throbbing swing’ or ‘dribble-swing’, a curious mixture of jazz-swing and free-pulsating movement. Like three horses on a span, not in a military rhythmic unison, but a clopper-de-clop-stay-as-close-as-can-be fashion. Three individual and separate, but closely related, ‘lines’.
Another feature of the music from the trio is their melodic and harmonic alertness. They seem to catch each others pitches perfectly, also not to be heard often in freely improvised music.
All of which makes the CD a very diverse and colorful ‘contemporary improvised music’ album.

The pieces, the theme’s, seem to be written down and arranged for the ‘cast’. They sound like bop and soul-jazz (in the case of the two compositions by the late saxophonist and composer Paul Termos), post-bop, post-free-jazz, and sometimes like contemporary academic music. One could identify influences by Thelonious Monk, Cecil Taylor, Olivier Messiaen, Oscar Pettiford, Charles Mingus, David Izenzon, Paul Motian and Han Bennink.
“Solid” starts as a post-boppy-blues-free-motion-indefinite-swing piece, but then breaks up in a staccato improvisation that leads to free Monkish-piano variations. It’s got a funny ‘Salt Peanuts’ reference.
“Improvisation 538” starts with arco bass with tonal references, piano and drums match this with their variation of a similar kind of ‘sonic production’: plucking snares on the inside of the piano and brushes on skin and cymbals.
Paul Termos’ piece “Kop op” is a brickwork bebop-like theme leading to a drumsolo that get’s ‘attacked’ by Cecil Taylor-ish interventions. Not quite a ‘logical’ approach and maybe prefabricated (so this track convinces me the least), but the return to the theme out of fortissimo free-jazz is very well executed and ‘a sound of surprise’.
“Idols” contains piano-chords that I cannot decipher (well, I’m an amateur pianist), but they’re certainly not the standard II-V-I jazz-changes or free-jazz clusters. It’s seems to be an idiom in itself. The rhythmic unison by Hadow’s drums is magical! The way he varies the composition is a link to the the improvisation after the theme. I like that approach!
“Not yet” by Van der Weide is a peaceful haven, the theme is a continuous variation of four notes, but has nothing to do with so called ‘minimal music’. It is more like a clockwork that leads into spacious and time-stretched improvisations with overtones on bass and cymbals and Messiaen-like harmonies on piano.
In “Ingredients 539” the trio-members have a grab at the mainstream jazz idiom, but the grab really is a child’s play with conventional elements. The ‘way-to-long’ bass line-solo by Raoul van der Weide is hilarious! This music is a preposterous out-of-proportion jazz-pastiche, but never tasteless.
“Stumble” is an emotional heartfelt cry, bluesy free-jazz, with a touch of South African pianist Abdullah Ibrahim’s left hand playing. Exceptions excluded, the Dutch improv scene is not really known for this kind of direct speaking from the heart.
The CD closes with “Sigh”, a ballad with Ellingtoneske chords and warmth. A closer listen reveals a little musical joke: the melody is all chromatic, except for a ‘gigantic’ leap of a minor third (!) at the end of each section.

Careful and repeated listening sessions reveal more intelligent musical jokes throughout the album. But they are more hidden than outspoken. The maybe typical Dutch irony is less on the foreground, I would say raised to a higher and more abstract level and to be discovered only by attentive listening.

All in all a good time and money’s (only €10,-) worth!
The Blue Lines Trio add a new branch to the improvised music family tree!"
(Chris Naat)


(Weblog Cloudsandclocks.net - October 12, 2014)
A fine album, which I found - completely out of the blue - waiting for me in my mailbox. It got here at the right moment, too, one of those days when one almost starts believing that by now all good music is only to be found in the past, and that the time has come to listen to those old records all over again.
A fine album, mind you, not a masterpiece or this year's Change Of The Century. But an album that will keep one interested for its duration, and that - though it can be said it moves inside a framework that's definitely familiar - will offer listeners some unfamiliar moments.
"What framework?", I hear you say. Well, if I say "jazz piano trio" I know I'll run the risk of raising expectations that can't be met, on one hand, and provoking uninterestedness, on the other. I'll just say that here the great heritage of US jazz gets cooked in Dutch sauce, and leave it at that, hoping the rest will become clearer when I discuss the pieces in detail, below.
The line-up features Michiel Scheen on piano; Raoul van der Weide on double bass, crackle box, and "sounding objects"; and George Hadow on drums. Looking at the picture that appears inside the CD cover, the drummer looks in his early thirties, while the piano player looks in his late forties, and the bass player looks in his late fifties. At first I thought I was unfamiliar with all three, but on impulse I had a look at some old CDs I own by Dutch double bass player and composer Maarten Altena released in the late eighties/early nineties (Quotl, Cities And Streets, and Code), and here he was: Michiel Scheen, looking quite young indeed.
The trio has a fine sound, the piano often played in the middle part of the keyboard, the bass work almost never to the fore but never sounding banal, the drums inevitably reminding me of Han Bennink (only when it comes to the sound of the instrument, not its role in the music).
Recorded, mixed, and mastered by Arnold de Boer, who also co-produced the album with the trio. Recorded at the well-known Bimhuis, Amsterdam. The only thing I didn't like is the way most improvised tracks end: while it makes sense on a musical level, it's just too abrupt.
Ugly cover.
The repertory features original compositions penned for the most part by the pianist; a series of improvisations, for the most part non-idiomatic but not as "free" as the modern meaning of the word could lead some to believe; and the cover of two compositions (Kop op and Dark Goeree) by the late sax player Paul Termos.
Let's have a look at the tracks.
Solid has a nervous, Mingus-like start, à la Blues & Roots, with a fragment that definitely sounds as being Monk-influenced appearing at 34", 1' 03", 1' 34", with a fine surprise effect. It swings! There's a long middle part played unison, start & stop, with a thematic development that's not impossible to see. Then it's back to the Monk-like motif, the Mingus-like theme, then Monk again, then close.
Improvisation 538 starts with arco bass, quite lively. There's a piano ostinato, the drums highlighting the snare.
Kop op, by Paul Termos, starts with a "Be-Bop"-sounding theme, with a fine use of the ride cymbal and the rimshot. Then, a drum solo based on the melody played by the piano, then it's time for the piano and the double bass to come to the fore, the whole reminding me of the music of Cecil Taylor. Then it's time to go back to the piano motif, with a fine surprise effect (maybe I'm mistaken, but I thought that here the listener is not the only one who's surprised!).
Improvisation 536 has the piano playing arpeggios, snare, a pinch of double bass, the drums played with brushes.
Dark Goeree, by Paul Termos, starts with a bass ostinato, a Latin-sounding rimshot, and a piano theme that reminded me of the world-famous Herbie Hancock composition Watermelon Man. The middle part definitely sounds Monk-influenced, with strict tempo, and two-hands chord development. The end of the track has the trio back to the "Watermelon" theme.
Idols has a brief, clear theme. Piano and double bass traveling parallel, the drums having a solo at a louder volume. Then it's back to the theme, start & stop.
Improvisation 541 features "sounding objects", percussive drums, the piano sounding with "muted strings". For me, the weakest moment of the album.
Not Yet is the only composition penned by the bass player. It starts with a brief, simple, "ethnic"-sounding theme, acting as an intro. Then, a long episode featuring the piano with the "hold" pedal down, cymbals played arco, just like the double bass. The brief, "ethnic"-sounding theme acts as a close.
Ingredients 539 breathes a fine "Be-Bop" air, the rhythm section to the fore. Nice development, then it's time for a fine drum solo, quite à la Art Blakey (I waited for the "Yeah!"). Very traditional-sounding, but fine.
Stumble has a melodic introduction, two hands parallel, playing chords. In a way it reminded me of Anthony Davis at the time of his album titled Lady Of The Mirrors, elaborating on "Ellington-like" material.
Improvisation 537 is a svelte, agitated, fragment.
Sigh is the closing ballad, with brushes, hi-hat, chords, quite "hesitant"-sounding, à la Monk, it definitely reminded me of the Monk classic Ruby, My Dear.
(© Beppe Colli 2014)


Webmagazine Jazzflits - October 6, 2014
"Bassplayer Raoul van der Weide has a good ear for finding wayward pianists. One of them, of course, is the well known Guus Janssen, but besides Frank van Bommel (As If Trio), now he stumbled upon Michiel Scheen. And just as Van Bommel, Scheen is also that musician that, inexplicably, never got to be known by a broader audience. From time to time Scheen initiated his own ensembles and projects, but never got beyond the status of ‘musician’s musician’. That’s all right, but it doesn’t pay the bills.
"Blue Lines Trio’, the debut cd (with young British drummer George Hadow as subtle third man), however, won’t be able to reach the mainstream jazz-charts. It is full of music for connoisseurs. Besides compositions from Scheen and one of Van der Weide, the album contains five improvisations and two pieces by Paul Termos. Scheen and Van der Weide both are advocates of the oeuvre of the saxophonist and composer, who deceased in 2003. How justly that plea is, is evident in the fact that his pieces fit the trio as gloves. The Misha Mengelberg-like ‘Kop op’ and the souljazz-pastiche ‘Dark Goeree’ perfectly match the compositions by Scheen, such as the Leo Cuypers-inspired ‘Solid’ and the beautiful ballad ‘Sigh’. They are convincing proofs of his craft. I hope this CD of the Blue Lines Trio will mean the breakthrough they deserve."
(Herman te Loo)


Weblog Vera Vingerhoeds - October 9, 2014
"Unexpected turns, dribbling swing & unsettling jazz
The Blue Lines Trio was formed in 2012 by pianist Michiel Scheen. It brings together three generations of improvisers. With great belief, the group plunges into situations where there is not necessarily direction and guidance: musical adventure it is. To start somewhere not knowing where you end up. The trio is very evenly matched. All three musicians can handle the musical freedom; they keep listening very carefully to each other in free improvisations.
The music on this first album is a selection from the wide repertoire of the trio, which is full of musical twists, unexpected turns, unsettling music, dribble swing and sound explorations.
Michiel Scheen very clearly is indebted to the angular swing of Thelonious Monk and unsettling improvising jazz of Misha Mengelberg. It can be heard in a number of pieces, such as Solid.
In the years 1986 to 1999 Michiel Scheen worked with many musicians in the free improvisation department. He played with Ab Baars, Han Bennink, Jaap Blonk, Anthony Braxton, Tobias Delius, Cor Fuhler, Gerry Hemmingway, Wiek Hijmans, Guus Janssen, George lewis, Misha Mengelberg, Roscoe Mitchell, Butch Morris. After a reteat of several years Scheen formed a quartet in 2004 with Ab Baars, Han Bennink and Ernst Glerum. At the moment he regurarly plays in duo format with saxophonist and clarinettist Tobias Delius and in the Jan Nijdam Quartet."
(Vera Vingerhoeds)

Geen opmerkingen: